
Want dat is niet de vraag die je écht zou moeten stellen.
“We hebben een beeld nodig — stuur je het even door in 300 PPI?” Die zin horen we nog te vaak.
Van klanten, van collega’s, van leveranciers. En we snappen waarom: het klinkt alsof je weet wat je doet, alsof “300 PPI” een kwaliteitslabel is.
Maar eerlijk?
Die drie letters zorgen al jaren voor misverstanden, frustraties en fouten.
Hoog tijd om het helder te maken. Want wat er écht toe doet, is niet het getalletje in je afbeeldingsinfo — maar of het beeld geschikt is voor het formaat waarin je het gebruikt. En daarvoor heb je andere info nodig dan “gewoon 300 PPI”.
PPI zonder context? Zinloos
PPI betekent “pixels per inch”. Dat is de hoeveelheid pixels die je per inch nodig hebt om een beeld scherp te kunnen afdrukken.
Maar… tenzij je weet hoe groot het beeld wordt afgedrukt, zegt die PPI niets.
Een paar voorbeelden:
- Een beeld op 10 x 15 cm aan 300 PPI → minstens 1181 x 1772 pixels nodig
- Datzelfde beeld in een krant aan 200 PPI → 787 x 1181 pixels volstaat
- Een banner op afstand? → 30 tot 72 PPI is genoeg
Het gaat dus altijd om de combinatie van afmeting en resolutie. Niet om één magisch cijfer, want zolang je die context niet hebt, is de vraag naar “300 PPI” een lege vraag.
Wat gebeurt er als iemand gewoon vraagt naar 300 PPI?
- Beelden worden in Photoshop opgeblazen naar 300 PPI — zonder dat de kwaliteit verbetert
- Slechte input wordt gemaskeerd als “drukwaardig”
- Opmaak en prepress botsen met onduidelijke verwachtingen
- Deadlines worden gehaald met beeldmateriaal dat eigenlijk gewoon… slecht is
En allemaal omdat niemand heeft gezegd wat écht nodig is: het juiste aantal pixels voor het juiste formaat, in de juiste toepassing.
Wat moet je dan wél vragen?
Niet: “Heb je dit in 300 PPI?”
Maar: “We gebruiken dit beeld op formaat X, in toepassing Y. Hoeveel pixels hebben we dan nodig voor een scherp resultaat?”
Daarmee geef je duidelijke richting aan je grafisch team, je fotograaf of je leverancier. En vermijd je het risico dat iemand “iets naar 300 PPI omtovert” — zonder dat het beter wordt.
En bij large format printing? Nog even extra opletten.
Bij LFP — posters, beursstanden, billboards — gelden twee extra factoren:
- Schaalfactor: ontwerp gebeurt vaak op 10 of 25%, niet op 100%
- Bekijkafstand: hoe verder de kijker, hoe lager de resolutie mag zijn
Blijf je daar vasthouden aan 300 PPI? Dan krijg je onwerkbare bestanden, langere laadtijden en zinloze drukte.
Slimmer: werk met aangepaste resoluties op schaal, afgestemd op context.
En wat met logo’s?
Hier is het eenvoudig: gebruik vectorbestanden. AI, EPS of SVG. Altijd scherp, altijd schaalbaar, altijd juist.
Rasterversies van logo’s (JPG of PNG) zijn enkel oké als je 100% zeker bent van formaat én resolutie — en ze niet hoeft te vergroten.
Opblazen “om het naar 300 PPI te krijgen”? Dat is de snelste weg naar een onscherp logo in je drukwerk.
En die “72 PPI voor web”?
Best vergeten. Die mythe komt uit een ver verleden.
Vandaag werken schermen met veel hogere resoluties:
- 4K-monitoren: 150 PPI of meer
- Smartphones: 400–500 PPI is standaard
- En CSS? Die rekent in 96 PPI
Online werk je dus gewoon in pixels: 1200 x 800, 1080 x 1920… Daar speelt PPI geen enkele rol.
Waarom dit geen detail is, maar een workflowvraag
Dit gaat niet alleen over beeldkwaliteit. Dit gaat over controle. Over samenwerking. Over helder communiceren. Elke keer dat een beeld in de fout gaat — ofwel door wazige output, ofwel door discussie vlak voor deadline — is het vaak terug te brengen tot één zwakke schakel: een onduidelijke beeldbriefing. En precies daar maakt Catena het verschil.
Tijd om resolutie structureel juist aan te pakken?
Als jij verantwoordelijk bent voor campagnes, content of drukwerk, dan wil je weten dat je beelden goed zitten. Niet op gevoel, maar op basis van heldere afspraken.
Ybe Jacobs
Win the
battle of the brands
Start met visuele content automation


